Ik woon weer thuis.
Al een tijdje ging het niet zo lekker. De D/s ging fantastisch, maar het voelde gewoon niet goed. Ik had steeds meer het gevoel dat ik tussen Kadima en nedivah in stond, hun relatie remde. Ik was steeds onrustig, besluiteloos. Sliep met de dag slechter. Voelde me zo vreselijk ‘the other woman’ dat ik er zelf misselijk van werd. Ranzige minnares - degene die altijd het leed veroorzaakt. Niemand heeft het ooit tegen me gezegd, maar ik geloof echt dat het zo was. En zo wil ik niet zijn.
Tenslotte nam m’n moeder onbewust de keuze voor me. De laatste tijd zijn we heel vaak naar het strand geweest, naar de zee, naar de frisse lucht en vergetelheid. Ze weet wat ik ongeveer uit heb gespookt. Een paar dagen geleden vroeg ze of ik alsjeblieft weer naar huis wilde komen. Ze wist niet dat ik zelf al tijden twijfelde of ik het wel of niet moest doen.
Tassen met kleding, zo anders dan wat ik had toen ik bijna een jaar geleden vertrok. Boeken, heel veel boeken. Shampoo, douchegel, scheermesjes. Alles moet z’n plek weer vinden.
Kleding was eenvoudig - kast opruimen, wat oude spullen weggooien of wegmoffelen op de onderste plank en het nieuwe spul erin. Douchespullen is een stilzwijgend gevecht dat ik nog met m’n zusje voer.
Zelf m’n draai vinden is moeilijker. Ik woon weer thuis. Ben opeens weer kind. Moet weer op tijd thuis zijn, vertellen waar ik ben. Ik heb weer een klein zusje, een moeder. Honden die janken en bij me in bed slapen, een kat die er met m’n sleutelbos vandoor gaat en m’n spullen sloopt (in tegenstelling tot de katten van Kadima en nedivah, die eigenlijk best ik-vriendelijk zijn).
Ik voel me niet echt thuis meer, en nu besef ik pas wat ik precies gedaan heb. Ik wilde zo veel, en ik heb mezelf gedwongen om volwassen te worden om die verlangens te kunnen vervullen. Misschien voor m’n tijd, misschien te snel.
Onderweg heb ik alles wat ik wilde overboord gegooid. Huisje, boompje, beestje. Een vriendje om aan m’n moeder voor te stellen. Aan m’n vrienden. Nooit, nooit tweede hoeven zijn. Idealen van een jong, naïef mens.
Ik weet het niet meer, allemaal. Ik weet dat ik gegroeid ben, maar of het deze pijn waard is kan ik nu niet eerlijk beoordelen. Of IK het nog ben, weet ik niet eens.
De halsband die ik al tijden niet meer droeg, mocht ik van Kadima meenemen. Het idee dat iemand anders ooit die halsband zou dragen, maakte me zo ziek dat ik hem bij me wilde hebben. Ik hou het stomme, afschuwelijke ding steeds in m’n handen. Ik mis het - ik mis Kadima, die zegt dat ik nu écht even moet dimmen. Ik mis het om soms een tik te krijgen, geknepen te worden. Zacht door m’n haar gestreeld en geknuffeld. Alles is anders en ik voel me zo vreselijk alleen dat ik niet weet waar ik het zoeken moet. Hoe ga je met dat soort dingen om?
Maandag beginnen m’n examens. Ik moet dit weekend echt even flink doornemen, belangrijke struikelblokken aanpakken. Eigenlijk heb ik gewoon alleen zin om me op te krullen en in bed te blijven.
Het was echt, echt tijd om te stoppen, blijf ik steeds maar tegen mezelf zeggen. Iemand moest de knoop doorhakken, en ik moest diegene zijn. Afstand nemen. Ik kon het zelf niet langer volhouden - wat ik was geworden, wat er met m’n dromerige, romantische zelf was gebeurd - zo kan ik niet zijn.
Maar het liefst wou ik dat ik sterker was geweest en het wel had gekund…